Reguliere bijeenkomsten


De eerste Christenen volhardden samen in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in de breking van het brood (het avondmaal) en de gebeden (Hand. 2:42). Dat zijn kernpunten uit het gemeentelijke leven, die ook wij eenvoudig in praktijk willen brengen.

Graag willen we in ons samenkomen:
- De leer van de apostelen beter leren kennen en die leer (de Bijbel) ook trouw in praktijk brengen; die leer is niet onderworpen aan allerlei variaties afhankelijk van tijd, cultuur en menselijke inzichten.
- Volharden in de gemeenschap; Onze gemeenschap als Christenen is met de Vader en de Zoon, maar ook met elkaar (1 Joh. 1), en dat bewerkt een grote blijdschap.
- Volharden in de broodbreking; in de viering van het avondmaal. De Heer Jezus riep ons op dit te doen ‘zo dikwijls u dit doet’ (1 Kor. 11), en de eerste Christenen in Troas kwamen speciaal voor dit doel bij elkaar (zie Hand. 20:7). Onze Redder hield zoveel van ons dat Hij voor ons wilde sterven, zouden wij Zijn liefdevolle vraag naast ons neerleggen en maar af en toe aan Hem denken door een zeldzame viering van het avondmaal?
- Volharden in het gebed; het gebed is de geestelijke ademhaling van de gelovige persoonlijk, maar ook van de plaatselijke gemeente. Het hoort alle samenkomsten te kenmerken. Bovendien hebben we een wekelijkse bidstond.

Onze reguliere bijeenkomsten vinden plaats:
Op zondag:
10.00: samenkomst voor aanbidding en viering van het avondmaal (eredienst)
gevolgd door een korte koffiepauze, en
11.30: Woordbediening (de ‘preek’)

op woensdag:
19.45: samen bidden, gevolgd door Bijbelstudie

We geloven dat we het avondmaal kunnen vieren en gemeenschap met elkaar kunnen hebben, als we ware kinderen van God zijn (door bekering en wedergeboorte), als we niet in zonde leven (vgl. bijv. 1 Kor. 5), als we geen valse leer hebben over Christus, Zijn werk en Zijn Woord (vgl. bijv. 2 Johannes en Galaten 5:4-9) en als we afstand nemen van ongerechtigheid, d.w.z. van alles wat niet recht, niet correct is volgens Gods gedachten (2 Tim. 2:19-22). Als we daarop niet zouden letten, zouden we in feite wél beweren één te zijn met elkaar, terwijl we in de kern toch voor heel tegenstrijdige standpunten zouden kunnen staan. Dat zou een aanmoediging voor verdeelheid zijn, i.p.v. een aansporing om samen naar Gods wil te zoeken in Zijn Woord. Zo’n houding zou een onbijbelse openheid bieden voor het toelaten van zonde en ongerechtigheid onder ons.

Deze overtuigingen delen we met veel andere plaatselijke samenkomsten van gelovigen, die in de loop van de tijd door het werk van Gods Geest in alle werelddelen zijn ontstaan. We voelen ons bij hen betrokken en met hen verbonden, erkennen wat ze besluiten en verblijden ons in het werk dat God in andere landen werkt. Door broeders ter plaatse zowel als gelovigen die we uit andere vergaderingen kennen zijn we nauw verbonden bij zendingswerk, bijv. in Kameroen en het Midden-Oosten.

b_300_200_16777215_0___images_stories_2010_211.jpg

De Gemeente is één; Gods Geest bewerkt nooit verdeeldheid en brengt ook geen tegengestelde overtuigingen tot stand. Gods Geest bewerkt een overtuiging in plaatselijke gemeenten in andere plaatsen hier op aarde die op dezelfde manier samenkomen. Bijvoorbeeld als het gaat over toelating tot de Tafel van de Heer / het avondmaal (zie 1 Kor. 10 en 11); om tucht; om het uitoefenen van gemeenschap met andere vergaderingen. Zulke besluiten of overtuigingen waarvan wij horen zien we dan ook uiteraard principieel als bindend voor onszelf, die bij hetzelfde Lichaam van Christus horen. Elke andere benadering zou onafhankelijk zijn en dus in regelrechte tegenspraak met de Bijbel.

De Kerk heeft vanaf haar stichting op de pinksterdag in Handelingen 2 maar één Hoofd: Jezus Christus. Hij is nu verheerlijkt in de hemel; maar van daaruit leidt Hij haar door Zijn Geest en conform Zijn Woord. Onze geloofsbelijdenis is dus: de hele Bijbel. Onze Voorganger is de Heer. Onze ‘Leider’ is de Heilige Geest. Hij werkt in iedereen zoals Hij het wil (zie 1 Kor. 12; 1 Kor. 14:26, 1 Kor. 14:34 e.a.); en dat kan Hij beter dan wij ooit zouden kunnen. Christelijke samenkomsten hoeven dus niet van te voren geprogrammeerd te zijn.

Uiteraard erkennen we dat er voorgangers en oudsten zijn onder de gelovigen: zij die voorgaan op de weg, die een voorbeeld voor de kudde vormen (1 Petr. 5) en ons leiding geven in de Heer (1 Thess. 5). We hoeven hen niet aan te stellen; ze zijn er en doen hun taak net zoals iedere gelovige die hoort te doen tot opbouw van het geheel.

Als het gaat om het verloop van de samenkomsten hebben we met zo’n goede Voorganger en Leiding-gevende niet nog een menselijke leiding nodig. We laten die leiding graag over aan de Heer Jezus.